Wanneer een werkgever beslist om het mobiliteitsbudget in te voeren in zijn onderneming, kunnen werknemers hun bedrijfswagen of hun recht op een bedrijfswagen inruilen voor een mobiliteitsbudget.
Dat budget kunnen de werknemers vrij besteden in 3 pijlers rekening houdende met de bestedingsmogelijkheden aangeboden door de werkgever.
Pijler 1: milieuvriendelijke bedrijfswagen
Vanaf 01.01.2026
Werknemers kunnen binnen deze pijler uitsluitend kiezen voor een bedrijfswagen zonder CO₂-uitstoot.
Tot en met 31.12.2025
De keuze kon nog gaan naar:
- een elektrische bedrijfswagen, of
- een bedrijfswagen die voldeed aan bepaalde milieunormen (zie ook de vraag “Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?”).
Het budget dat, na een eventuele besteding in pijler 1, overblijft, kan de werknemer besteden in pijlers 2 en/of 3.
Pijler 2: duurzame vervoermiddelen en huisvestingskosten
Binnen deze pijler kan de werknemer kiezen voor een hele reeks duurzame vervoermiddelen, zoals:
- een fiets;
- een elektrische motorfiets;
- openbaar vervoer;
- georganiseerd gemeenschappelijk vervoer;
- een deelauto;
- enz.
De gemotoriseerde voertuigen die onder zachte mobiliteit vallen en die vanaf 01.01.2026 worden aangekocht, gehuurd, geleased mogen geen CO₂-uitstoot hebben.
Vanaf 01.01.2026 mogen de gemotoriseerde voertuigen die onder carpooling, autodelen en verhuur van auto's met chauffeur vallen geen CO2-uitstoot meer hebben.
Werknemers die binnen een straal van 10 km van hun werkplaats wonen, kunnen ook het huurgeld of de interesten en kapitaalsaflossingen van hun hypothecaire lening financieren met het mobiliteitsbudget.
Pijler 3: geld
Als het mobiliteitsbudget nog niet volledig is besteed in pijlers 1 en/of 2, ontvangt de werknemer het resterende bedrag in geld.
Dat bedrag wordt eerst verminderd met een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07%.
Met die bijdrage worden sociale rechten, zoals pensioenrechten, opgebouwd, met uitzondering van het recht op jaarlijkse vakantie.
Aangepast - 2 april 2026