Arbeidsrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

Sociaalrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

Fiscaalrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

9.1. Komen alle bedrijfswagens in aanmerking voor omzetting naar een mobiliteitsbudget?

Neen.

Soms worden bedrijfswagens gefinancierd door een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon of bestaande (loon)voordelen. Wanneer zo’n bedrijfswagen vervolgens wordt ingeruild tegen een mobiliteitsbudget, zou dit een grote loonoptimalisatie inhouden. Daarom komen die wagens niet in aanmerking voor het mobiliteitsbudget. Deze regel geldt ook voor vervangingen of omzettingen die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de wet, dus vóór 1 maart 2019.

Ook het mobiliteitsbudget zelf mag niet het resultaat zijn van een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon of bestaande (loon)voordelen.

9.2. Een werknemer had recht op een bedrijfswagen, maar heeft dit recht nooit uitgeoefend. Als compensatie ontving hij maandelijks een brutopremie. Komt hij daardoor niet meer in aanmerking voor een mobiliteitsbudget?

Wie wel recht had op een bedrijfswagen, maar dit recht niet heeft uitgeoefend en hiervoor werd gecompenseerd, kan wel degelijk instappen in het mobiliteitsbudget.

Dit is een uitzondering op een andere regel. Meer uitleg hierover vind je in het antwoord op de vraag "Komen alle bedrijfswagens in aanmerking voor omzetting naar een mobiliteitsbudget?".

Uiteraard op voorwaarde dat de werknemer voldoet aan de wachttermijnen van 3 maanden en 12 maanden binnen een periode van 36 maanden én de financiële compensatie wordt stopgezet van zodra het mobiliteitsbudget wordt toegekend.

9.3. De bedrijfswagen maakt deel uit van het cafetariaplan van de werkgever. Sommige werknemers hebben onmiddellijk gekozen voor een bedrijfswagen, andere hebben eerst gekozen voor een ander voordeel. Kan ook die laatste groep werknemers een mobiliteitsbudget aanvragen?

Ja.

De uitzondering is van toepassing zoals hierboven toegelicht in de vraag "Een werknemer had recht op een bedrijfswagen, maar heeft dit recht nooit uitgeoefend. Als compensatie ontving hij maandelijks een brutopremie. Komt hij daardoor niet meer in aanmerking voor een mobiliteitsbudget?".

Let op! Ook bij cafetariaplannen geldt de voorwaarde dat de bedrijfswagen (of de in ruil gekozen voordelen) niet het resultaat mogen zijn van een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon of bestaande (loon)voordelen. Is dat toch het geval, dan komt die bedrijfswagen (of in ruil gekozen voordelen) niet in aanmerking voor de omzetting naar een mobiliteitsbudget.

9.4. De bedrijfswagen maakt samen met een aantal andere voordelen deel uit van het cafetariaplan van de werkgever. Omdat een bedrijfswagen wel wat kost, moeten werknemers die daarvoor kiezen ofwel ook een eigen bijdrage betalen ofwel (een deel van) hun extralegale voordelen op bedrijfsniveau inbrengen in het cafetariaplan. Kunnen die werknemers een mobiliteitsbudget aanvragen?

Dit is enkel mogelijk als de werknemers een eigen bijdrage betalen. De uitzondering is van toepassing zoals hierboven toegelicht in de vraag "Een werknemer had recht op een bedrijfswagen, maar heeft dit recht nooit uitgeoefend. Als compensatie ontving hij maandelijks een brutopremie. Komt hij daardoor niet meer in aanmerking voor een mobiliteitsbudget?".

Dit is niet mogelijk als zij bijvoorbeeld (een deel van) hun extralegale voordelen op bedrijfsniveau inbrengen. In dat geval is er immers sprake van een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van een bestaand (loon)voordeel.

Arbeidsrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

9.5. Wat moet minstens worden opgenomen in de overeenkomst tussen de werkgever en de werknemer?

De overeenkomst moet vóór de eerste toekenning van het mobiliteitsbudget worden gesloten.

De overeenkomst moet onder andere volgende elementen vermelden:

  • het initiële bedrag van het mobiliteitsbudget;
  • het feit dat de werknemer die het voordeel van een mobiliteitsbudget verkrijgt, niet meer kan genieten van volgende specifieke sociale en fiscale vrijstellingen in het kader van het woon-werkverkeer:
    • de vrijstelling van de werkgeverstussenkomst voor het openbaar gemeenschappelijk vervoer;
    • de vrijstelling van de werkgeverstussenkomst voor het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden georganiseerd door de werkgever;
    • de vrijstelling van de fietsvergoeding;
    • de vrijstelling van het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsfiets.

Wie (het recht op) de klassieke bedrijfswagen al minstens 3 maanden vóór de aanvraag van het mobiliteitsbudget cumuleerde met een vrijgestelde verplaatsingsvergoeding of -voordeel, kan dit ook blijven combineren met het mobiliteitsbudget, met behoud van de bijhorende specifieke sociale en fiscale behandeling. Het wordt aanbevolen om deze uitzondering – indien van toepassing – ook te vermelden in de overeenkomst en te specifiëren over welke vergoedingen en/of voordeel het precies gaat.

Bij de invoering van het mobiliteitsbudget moet de werkgever de voorwaarden die hij eraan wil verbinden, waaronder de bestedingsmogelijkheden in de drie pijlers, bekendmaken aan alle werknemers. Het wordt aanbevolen om deze informatie te vermelden in de overeenkomst.

De werkgever deelt de wijze waarop het mobiliteitsbudget wordt berekend en het bedrag ervan op voorhand mee aan de werknemer. Dit gebeurt na de aanvraag van de werknemer en vóór een eventuele positieve beslissing van de werkgever. Het wordt aanbevolen om ook deze informatie te vermelden in de overeenkomst.

Het mobiliteitsbudget wordt toegekend vanaf een datum die in overleg tussen de werkgever en werknemer wordt bepaald. Het wordt aanbevolen om die datum te vermelden in de overeenkomst.

9.6. Welke rechten kan een werknemer ontlenen aan het mobiliteitsbudget?

De werknemer heeft voor het mobiliteitsbudget enkel recht op:

  • de terbeschikkingstelling ervan door de werkgever;
  • een behandeling die gelijk is aan de behandeling van het voordeel van het privégebruik van de bedrijfswagen.

Dit laatste betekent onder meer dat als het bedrijfswagenbeleid van de werkgever voorziet in dezelfde regeling voor de terbeschikkingstelling van bedrijfswagens:

  • een werknemer het recht op het mobiliteitsbudget behoudt gedurende afwezigheidsperioden gedekt door gewaarborgd loon;
  • het mobiliteitsbudget in rekening wordt gebracht om de omvang van de opzeggingsvergoeding te bepalen.

Als er ruimere rechten bestaan op sector- of ondernemingsvlak voor het behoud van de bedrijfswagen (bijvoorbeeld bij langdurige schorsing arbeidsovereenkomst), dan worden die ook doorgetrokken naar het mobiliteitsbudget.

9.7. Wat gebeurt er bij uitdiensttreding? Welk bedrag wordt meegenomen voor de bepaling van de opzegvergoeding?

De toekenning van het mobiliteitsbudget kent geen enkel recht toe aan de werknemer, behalve de toekenning ervan door de werkgever en de gelijke behandeling van het mobiliteitsbudget met het voordeel van het privégebruik van de bedrijfswagen.

Wanneer een werknemer uit dienst gaat en een bedrijfswagen ter beschikking heeft, zou de werkelijke waarde van dit voordeel in rekening moeten worden gebracht bij het bepalen van de opzegvergoeding.

Hetzelfde geldt bij het mobiliteitsbudget: de reële waarde van het budget, in veel gevallen terug te vinden in de overeenkomst afgesloten tussen de werkgever en de werknemer voor het mobiliteitsbudget, zou in rekening moeten worden gebracht voor het bepalen van de opzegvergoeding. Er wordt dus abstractie gemaakt van de waarde van de voordelen die binnen het mobiliteitsbudget werden gekozen.

Sociaalrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

9.8. Hoe wordt het mobiliteitsbudget behandeld voor de toepassing van de socialezekerheidsbijdragen?

Het mobiliteitsbudget wordt uitdrukkelijk uitgesloten uit het RSZ-loonbegrip. Er zijn dus geen gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op het voordeel van het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget kan worden besteed in drie pijlers.

Wanneer de werknemer in pijler 1 kiest voor een milieuvriendelijke wagen, dan ondergaat die wagen dezelfde behandeling voor de sociale zekerheid als een klassieke bedrijfswagen. Ook de milieuvriendelijke bedrijfswagen wordt uitdrukkelijk uitgesloten uit het RSZ-loonbegrip. Er zijn dus geen gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op het voordeel van die wagen. Wel is de werkgever een bijzondere CO2-solidariteitsbijdrage verschuldigd. Die wordt bepaald in functie van het brandstoftype en de CO2-uitstoot.

De keuzes die een werknemer maakt in pijler 2 zijn volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen.

Het saldo dat overblijft, na verrekening van de eventueel gemaakte keuzes in pijlers 1 en 2, is niet onderworpen aan gewone socialezekerheidsbijdragen. Hierop is wel een bijzondere werknemersbijdrage verschuldigd van 38,07%. Deze bijdrage wordt geïnd door de RSZ. De werknemer bouwt met dit bedrag bijkomende rechten op in de sociale zekerheid. Meer bepaald op het vlak van ziekte, werkloosheid en pensioen, maar niet op het vlak van jaarlijkse vakantie.

9.9. Kan een werknemer een kilometervergoeding voor het gebruik van de eigen wagen krijgen vrij van socialezekerheidsbijdragen bovenop het mobiliteitsbudget? Kan dat enkel voor een professionele verplaatsing of ook voor een verplaatsing tussen de woonplaats en de werkplaats?

De terugbetaling van kosten naar aanleiding van dienstverplaatsingen in opdracht van de werkgever, worden altijd beschouwd als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever. Werknemer noch werkgever moeten op die terugbetaling socialezekerheidsbijdragen betalen.

Voor woon-werkverplaatsingen kan dit niet in het kader van een mobiliteitsbudget. Als de werkgever toch beslist om tussen te komen in de kosten van deze verplaatsingen, dan wordt die tussenkomst niet vrijgesteld en beschouwd als loon dat aan socialezekerheidsbijdragen onderworpen is.

9.10. Kan een werknemer bovenop het mobiliteitsbudget een fietsvergoeding vrij van socialezekerheidsbijdragen krijgen van zijn werkgever wanneer hij elke dag met de fiets naar het werk komt? Voordien deed hij dat slechts één keer per week.

Ja.

Als de werknemer in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van het mobiliteitsbudget ook met de fiets naar het werk kwam en daarvoor een fietsvergoeding kreeg, kan hij dit voordeel verder cumuleren met het mobiliteitsbudget, ongeacht het aantal verplaatsingen waarvoor de fietsvergoeding wordt toegekend.

9.11. Kan een werknemer bovenop het budget een fietsvergoeding vrij van socialezekerheidsbijdragen krijgen van zijn werkgever wanneer hij al meer dan drie maanden regelmatig met de fiets naar het werk kwam maar daarvoor geen fietsvergoeding heeft aangevraagd?

Neen.

Je moet in de drie maanden vóór de aanvraag van het mobiliteitsbudget al een fietsvergoeding hebben ontvangen.

Fiscaalrechtelijke aspecten van het mobiliteitsbudget

9.12. Is het mobiliteitsbudget bij de werknemer belastbaar?

Het mobiliteitsbudget kan worden besteed in 3 pijlers.

Besteding in pijler 1

Wanneer de werknemer in pijler 1 kiest voor een milieuvriendelijke bedrijfswagen dan ondergaat die wagen dezelfde fiscale behandeling als een klassieke bedrijfswagen. Dit wil zeggen dat die werknemer wordt belast op een voordeel van alle aard wanneer hij die wagen voor persoonlijke doeleinden (woon-werkverkeer en privéverplaatsingen tijdens weekends, vakanties, of vrije tijd, om privéaankopen te doen, ...) gebruikt.

Dat voordeel wordt forfaitair vastgesteld in functie van de cataloguswaarde, de leeftijd en de CO2-uitstoot van het voertuig. Meer informatie over de forfaitaire berekening van het voordeel van alle aard vind je in de FAQ “Voordeel van alle aard bedrijfswagens” op de website van de FOD Financiën.

Op fiscaal vlak kan de werknemer nog aanspraak maken op de algemene fiscale vrijstelling voor een “ander vervoermiddel” van maximum 410 euro per jaar (geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2020).

Het voordeel van alle aard van de milieuvriendelijke bedrijfswagen komt ook in aanmerking voor de toepassing van die vrijstelling. De wagen moet dan uiteraard worden gebruikt voor het woon-werkverkeer en de werknemer moet in zijn aangifte personenbelasting dan kiezen voor de toepassing van de forfaitaire beroepskosten, en dus niet voor de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten.

Besteding in pijler 2

Het deel van het mobiliteitsbudget dat niet wordt gebruikt voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en de daarmee gerelateerde kosten in het kader van het bedrijfswagenbeleid (zoals bijvoorbeeld de brandstofkosten en de verschuldigde solidariteitsbijdragen) kan in pijler 2 worden besteed aan duurzame vervoermiddelen en voordelen die daarmee expliciet worden gelijkgesteld.

Wanneer aan de voorwaarden van het mobiliteitsbudget is voldaan, wordt het deel van het budget dat in pijler 2 aan duurzame vervoermiddelen werd besteed, bij de werknemer vrijgesteld van belastingen.

Wanneer niet aan de voorwaarden van het mobiliteitsbudget is voldaan, wordt het deel van het budget dat in pijler 2 aan duurzame vervoermiddelen werd besteed en dat eventueel in pijler 3 in geld werd uitbetaald, bij de werknemer belast als bezoldiging.

Besteding in pijler 3

Het saldo van het budget dat overblijft na aftrek van de eventuele bestedingen in pijlers 1 en 2, wordt in pijler 3 in geld uitbetaald aan de werknemer, na aftrek van de bijzondere werknemersbijdrage van 38,07%.

Wanneer aan de voorwaarden van het mobiliteitsbudget is voldaan, wordt ook het deel van het budget dat in pijler 3 in geld werd uitbetaald, bij de werknemer vrijgesteld van belastingen.

Wanneer niet aan de voorwaarden van het mobiliteitsbudget is voldaan, wordt het deel van het budget dat in pijler 3 in geld werd uitbetaald en het deel dat in pijler 2 aan duurzame vervoermiddelen werd besteed en dat eventueel in pijler 2 aan duurzame vervoersmiddelen werd besteed, bij de werknemer belast als bezoldiging.

9.13. Heeft de werknemer recht op een vrijstelling voor vergoedingen of voordelen woon-werkverkeer in combinatie met het mobiliteitsbudget?

Een werknemer die tegelijkertijd van dezelfde werkgever én een mobiliteitsbudget én een vergoeding of voordeel voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling ontvangt, maakt voor die vergoeding of dat voordeel geen aanspraak meer op volgende specifieke fiscale vrijstellingen in het kader van het woon-werkverkeer:

  • de vrijstelling van de werkgeverstussenkomst voor openbaar gemeenschappelijk vervoer, voor het volledige bedrag van de vergoeding;
  • de vrijstelling van de werkgeverstussenkomst voor gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd, voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;
  • de vrijstelling van de kilometervergoeding voor een bedrag van maximum 0,24 euro (geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2020) per kilometer toegekend voor de werkelijk gedane verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een rijwiel, een gemotoriseerd rijwiel of een speed pedelec, zoals gedefinieerd in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, met dien verstande dat de gemotoriseerde rijwielen en de speed pedelecs enkel in aanmerking komen wanneer ze elektrisch worden aangedreven;
  • de vrijstelling van het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een rijwiel of een speed pedelec, zoals bedoeld in het vorige streepje, en de toebehoren, met inbegrip van de onderhouds- en stallingskosten, die daadwerkelijk wordt gebruikt voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

De werknemer maakt dus enkel nog aanspraak op de algemene vrijstelling voor een ander vervoermiddel dan:

  • het openbaar gemeenschappelijk vervoer; of
  • het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd.

Die vrijstelling bedraagt maximum 410 euro (geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2020) per jaar en is van toepassing als de werknemer in zijn aangifte personenbelasting kiest voor de toepassing van de forfaitaire beroepskosten, en dus niet voor de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten.

Als een werknemer bovenop het mobiliteitsbudget nog een tussenkomst van de werkgever krijgt in het woon-werkverkeer met het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd, kan hij dus geen aanspraak maken op de vrijstelling van maximum 410 euro per jaar.

Wanneer hij daarentegen bijvoorbeeld een fietsvergoeding, een bedrijfsfiets of een vergoeding voor het gebruik van de eigen wagen voor woon-werkverkeer bovenop zijn mobiliteitsbudget krijgt, kan de werknemer wel nog aanspraak maken op de vrijstelling van maximum 410 euro per jaar.

Het voorgaande verbod op de toepassing van de specifieke fiscale vrijstellingen geldt uiteraard enkel als het mobiliteitsbudget en de vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, tegelijkertijd door dezelfde werkgever worden toegekend.

Voorbeelden:

  • Een werknemer combineert twee deeltijdse jobs. Van werkgever A ontvangt hij een mobiliteitsbudget en van werkgever B een terugbetaling van het treinabonnement. In dat geval kan die terugbetaling van het treinabonnement wel voor het volledige bedrag worden vrijgesteld.
  • Een werknemer verandert in de loop van het jaar naar een functie waarvoor geen bedrijfswagen is voorzien in het loonsysteem van de werkgever. In plaats van het mobiliteitsbudget ontvangt hij een terugbetaling van het treinabonnement. In dat geval kan die terugbetaling van het treinabonnement wel voor het volledige bedrag worden vrijgesteld.

Uitzondering:

Wanneer een werknemer tegelijkertijd van dezelfde werkgever:

  • een mobiliteitsbudget ontvangt; en
  • een andere vergoeding of een voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

Dan kan de werknemer voor die vergoeding of dat voordeel wel nog aanspraak maken op één van de specifieke fiscale vrijstellingen in het kader van het woon-werkverkeer wanneer hij:

  • voorheen ook het voordeel van een bedrijfswagen genoot of het recht op een bedrijfswagen had verkregen; en
  • tegelijkertijd, gedurende minstens 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag van het mobiliteitsbudget, die vergoeding of dat voordeel ontving voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die recht gaf op een fiscale vrijstelling.

Dit geldt enkel voor zover het gaat om eenzelfde vergoeding of voordeel.

Zo kan bijvoorbeeld de terugbetaling van een treinabonnement in combinatie met het mobiliteitsbudget toch voor het volledige bedrag worden vrijgesteld als de werknemer voorheen ook het voordeel of het recht op een bedrijfswagen had verkregen en tegelijkertijd, gedurende minstens 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag van het mobiliteitsbudget, de terugbetaling van een treinabonnement ontving.

Die vrijstelling kan niet worden toegepast wanneer hij voorheen bijvoorbeeld enkel het voordeel van een bedrijfswagen en een bedrijfsfiets genoot.

9.14. Wat zijn de gevolgen voor een werknemer wanneer de voorwaarden van het mobiliteitsbudget niet zijn nageleefd?

In bepaalde gevallen verliest het mobiliteitsbudget zijn fiscaal statuut en zal het de normale belastingregeling ondergaan. Bijvoorbeeld: de gekozen milieuvriendelijke bedrijfswagen in pijler 1 of de gekozen duurzame vervoermiddelen in pijler 2 voldoen niet aan de wettelijke vereisten, de minimumtermijn van de werkgever of de wachttermijnen van de werknemer worden niet gerespecteerd.

Concreet betekent dit dat het saldo van het budget dat overblijft na eventuele bestedingen in pijler 1 aan een milieuvriendelijke bedrijfswagen, en dat vervolgens in pijler 2 werd besteed aan duurzame vervoermiddelen en voordelen die daarmee expliciet worden gelijkgesteld, en/of in pijler 3 in geld werd uitbetaald, niet wordt vrijgesteld, maar een belastbare bezoldiging van werknemers uitmaakt.

Die bezoldiging kan dan alsnog recht geven op een fiscale vrijstelling voor vergoedingen of voordelen voor woon-werkverkeer. Wanneer de werknemer bijvoorbeeld een deel van het budget in pijler 2 heeft besteed aan een treinabonnement voor zijn woon-werkverkeer dan kan die bezoldiging nog worden vrijgesteld voor het deel van het budget dat werkelijk werd gebruikt voor het treinabonnement voor zijn woon-werkverkeer.

Voor de terbeschikkingstelling van de milieuvriendelijke bedrijfswagen zijn er geen bijkomende gevolgen aangezien dit voertuig toch al dezelfde fiscale behandeling ondergaat als een klassieke bedrijfswagen.

9.15. Is het mobiliteitsbudget bij de werkgever aftrekbaar?

Het mobiliteitsbudget kan worden besteed in 3 pijlers.

Het deel van het mobiliteitsbudget dat in pijler 1 wordt besteed aan de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en de daarmee gerelateerde kosten in het kader van het bedrijfswagenbeleid, ondergaat op het vlak van de beroepskosten dezelfde fiscale behandeling als een klassieke bedrijfswagen.

Het saldo van het budget dat overblijft na eventuele bestedingen in pijler 1, en dat vervolgens in pijler 2 kan worden besteed en/of in pijler 3 in geld kan worden uitbetaald aan de werknemer, is bij de werkgever volledig aftrekbaar als beroepskost.

Wanneer niet aan de voorwaarden van het mobiliteitsbudget is voldaan, is het saldo van het budget besteed in pijler 2 en/of in geld uitbetaald in pijler 3 bij de werkgever aftrekbaar als bezoldiging van werknemers wanneer die bezoldigingen worden verantwoord door een individuele inkomstenfiche.

9.16. Waar op de inkomstenfiche 281.10 moet een vergoeding of voordeel voor woon-werkverkeer in combinatie met een mobiliteitsbudget worden vermeld?

Wanneer een werknemer tegelijkertijd van dezelfde werkgever én een mobiliteitsbudget én een vergoeding of voordeel voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling ontvangt, dan moet die vergoeding of dat voordeel naar gelang het geval als volgt op een fiche 281.10 worden vermeld:

  • tussenkomst in het openbaar gemeenschappelijk vervoer: vak 9 ‘Bezoldigingen’, subrubriek b) ‘Voordelen van alle aard’ tegenover de code 250;
  • tussenkomst in het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden georganiseerd door de werkgever: vak 9 ‘Bezoldigingen’, subrubriek b) ‘Voordelen van alle aard’ tegenover de code 250;
  • fietsvergoeding: rubriek ‘Bijdrage in de reiskosten’, subrubriek c) ‘Ander vervoermiddel’ tegenover de code 254;
  • bedrijfsfiets: er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de bedrijfsfiets ofwel:
    • uitsluitend voor eigenlijke privéverplaatsingen (in de vrije tijd) wordt gebruikt: vak 9 ‘Bezoldigingen’, subrubriek b) ‘Voordelen van alle aard’ tegenover de code 250;
    • uitsluitend voor woon-werkverplaatsingen wordt gebruikt: vak 17 ‘Bijdrage in de reiskosten’, subrubriek c) ‘Ander vervoermiddel’ tegenover de code 254’;
    • gemengd wordt gebruikt (voor eigenlijke privéverplaatsingen en voor woon-werkverplaatsingen): ten belope van maximum 410 euro voor aanslagjaar 2020 in vak 17 ‘Bijdrage in de reiskosten’, subrubriek c) ‘Ander vervoermiddel’ tegenover de code 254’, en het verschil in vak 9 ‘Bezoldigingen’, subrubriek b) ‘Voordelen van alle aard’ tegenover de code 250.

Uitzondering:

Wanneer een werknemer tegelijkertijd van dezelfde werkgever:

  • een mobiliteitsbudget ontvangt; en
  • een andere vergoeding of een voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling;

EN

  • voorheen ook het voordeel van een bedrijfswagen genoot of het recht op een bedrijfswagen had verkregen; en
  • tegelijkertijd, gedurende minstens 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag van het mobiliteitsbudget, die vergoeding of dat voordeel ontving voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die recht gaf op een specifieke fiscale vrijstelling.

Dan moet die vergoeding of dat voordeel in de gebruikelijke rubrieken van de fiche 281.10 worden vermeld.