Pijler 1: milieuvriendelijke wagen

Pijler 2: duurzame vervoersmiddelen en huisvestingskosten

Pijler 3: geld

Aangepast - 5.1. Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?

Het mobiliteitsbudget kan worden besteed in drie pijlers.

Elke pijler heeft een eigen sociale en fiscale behandeling.

Pijler 1: milieuvriendelijke wagen

De bedrijfswagen kan deel blijven uitmaken van het mobiliteitsbudget. Maar niet elke wagen komt in aanmerking.

Zo moet het budget dat aan de wagen wordt besteed in principe passen binnen het ter beschikking gestelde mobiliteitsbudget dat het resultaat is van de omzetting van de initiële bedrijfswagen (die de werknemer ter beschikking had of waarvoor de werknemer in aanmerking kwam). De werkgever kan de werknemer verplichten om een wagen te kiezen die past binnen het mobiliteitsbudget, op voorwaarde dat hij die verplichting uitdrukkelijk heeft opgenomen in het aanbod aan alle werknemers.

Let op! Wanneer het mobiliteitsbudget ontoereikend is voor de volledige financiering van de gekozen wagen en de bijhorende kosten, moet de werknemer het verschil terugbetalen aan de werkgever of moet de werkgever het verschil aanmerken als loonvoordeel voor de werkelijke waarde en onderwerpen aan socialezekerheidsbijdragen en belastingen.

Bovendien moet de gekozen wagen milieuvriendelijk zijn. In het kader van het mobiliteitsbudget worden volgende wagens geacht milieuvriendelijk te zijn:

  • elektrische wagens;
  • wagens die beantwoorden aan alle volgende voorwaarden:
    • een CO2-uitstoot van max. 95 gr/km;

Deze norm geldt voor wie vanaf 2021 in het systeem van het mobiliteitsbudget stapt. Tijdens een overgangsperiode geldt een maximale CO2-uitstoot van:

  • 105 gr/km voor wie instapt in 2019;
  • 100 gr/km voor wie instapt in 2020.
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen moet ten minste overeenstemmen met de geldende norm voor nieuwe voertuigen of met een latere norm;

Deze voorwaarde geldt niet voor eindereeksen: nieuwe voertuigen die niet meer worden geproduceerd maar nog wel in voorraad zijn bij de fabrikant of de verdelers.

  • wanneer het een oplaadbare hybride wagen betreft, moet de energiecapaciteit van de elektrische batterij minstens gelijk zijn aan 0,5 kWh per 100 kg wagengewicht;
  • op bovenvermelde drie criteria moet de gekozen wagen minstens even goed scoren als de wagen die is ingeruild voor het mobiliteitsbudget.

Deze voorwaarde geldt uiteraard niet als de werknemer niet over een wagen beschikte en zijn mobiliteitsbudget heeft verkregen op basis van zijn recht op een bedrijfswagen.

Aangezien de normen waaraan de milieuvriendelijke wagen moet voldoen, wijzigen doorheen de tijd, is het belangrijk om te weten op welke datum die normen moeten worden beoordeeld. In dit kader is de datum van de ondertekende bestelbon of het afgesloten leasingscontract relevant.

De wagen die de werknemer binnen deze eerste pijler kiest, ondergaat dezelfde sociale en fiscale behandeling als een klassieke bedrijfswagen.

Pijler 2: duurzame vervoersmiddelen en huisvestingskosten

Het mobiliteitsbudget kan ook worden gebruikt voor de financiering van duurzame vervoermiddelen.

Als er is gekozen voor een milieuvriendelijke bedrijfswagen in pijler 1, worden de kosten voor die bedrijfswagen uiteraard eerst in mindering gebracht van het budget.

Elke besteding die de werknemer binnen deze tweede pijler maakt, is volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen en belastingen.

De wet voorziet enkel in een territoriale beperking bij de besteding van het mobiliteitsbudget aan biljetten voor het openbaar vervoer.

Zachte mobiliteit

Hieronder vallen de aankoop, huur, leasing, het onderhoud en de verplichte uitrusting van:

  • volgende vervoermiddelen (al dan niet elektrisch) met een maximale snelheid van 45 km/uur:
    • (gemotoriseerde) rijwielen: vb. fietsen, ongeacht het type van fiets: een gewone fiets, een plooifiets, een koersfiets, een mountainbike, een bakfiets, een elektrische fiets, een speed pedelec, enz.;
    • voortbewegingstoestellen: vb. een step, een monowheel, een hoverboard;
    • bromfietsen.
  • motorfietsen die uitsluitend elektrisch worden aangedreven.

De verplichte uitrusting is niet beperkt tot de wettelijk verplichte uitrusting van het voertuig zelf. Ook de wettelijk verplichte uitrusting voor de bestuurder (en wanneer nodig voor de passagier) komt in aanmerking.

Let op! Het gaat enkel om de wettelijk verplichte uitrusting voor de bestuurder (en wanneer nodig voor de passagier) zoals voorzien in artikel 36 van het Verkeersreglement. Een valhelm of beschermende kleding kan dus niet altijd worden gefinancierd met een mobiliteitsbudget.

Openbaar vervoer

Hieronder vallen zowel abonnementen als vervoersbewijzen.

Abonnementen moeten op naam staan van de werknemer en geldig zijn voor het woon-werkverkeer. Een abonnement op naam van één van de kinderen van de werknemer om naar school te gaan, is dus uitgesloten.

Parkeerabonnementen komen ook in aanmerking op voorwaarde dat ze worden aangekocht in functie van een vervoerabonnement. Bijvoorbeeld: een abonnement voor een parking aan een station dat wordt aangekocht in functie van een treinabonnement voor het woon-werkverkeer van de werknemer.

Biljetten voor het openbaar vervoer kunnen vrij worden gebruikt voor het vervoer van de werknemer én bijvoorbeeld zijn gezin. En dit niet alleen voor reizen binnen België maar binnen de ganse Europese Economische Ruimte.

Niet alleen abonnementen en biljetten van de officiële aanbieders van openbaar vervoer komen in aanmerking. Zo kan de werknemer met zijn mobiliteitsbudget ook verplaatsingen met een waterbus of een intercitybus financieren. Ook verplaatsingen met hogesnelheidstreinen komen in aanmerking.

Vliegtuigtickets kunnen niet worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget.

Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer

Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer moet niet noodzakelijk door de werkgever worden georganiseerd. Het kan ook via een groep van werkgevers verlopen of zelfs via derden. Zo kan de werknemer met zijn mobiliteitsbudget ook verplaatsingen met een kantoorbus financieren.

Deeloplossingen

Deze rubriek omvat alle mogelijke vormen van gedeeld vervoer, zoals carpooling, en deelauto’s, -scooters, -fietsen, -steps, die aan een vloot of aan particulieren toebehoren, ongeacht of ze worden aangekocht, geleased of gehuurd.

Let op! Ook als een werkgever zelf deelauto’s ter beschikking stelt, moet het voordeel van het gebruik ervan door de werknemer in mindering worden gebracht van zijn mobiliteitsbudget. Als een deelauto hoofdzakelijk wordt gebruikt door dezelfde werknemer, wordt die auto beschouwd als een milieuvriendelijke wagen ter beschikking gesteld in pijler 1 en moet die auto dus voldoen aan de vooropgestelde milieucriteria.

Ook het gebruik van een taxi en de huur van een wagen met chauffeur, platformdiensten inbegrepen, vallen onder deze rubriek. Wel moet de exploitant in orde zijn met de regelgeving die op hem van toepassing is.

Tot slot kan de werknemer met zijn mobiliteitsbudget ook de huur van een voertuig zonder chauffeur voor maximaal 30 kalenderdagen per jaar financieren. Elk vervoermiddel voor het vervoer over land van personen en/of goederen komt in aanmerking. Mobilhomes zijn daaronder begrepen.

Mobiliteitsdiensten

Deze rubriek omvat alle mogelijke combinaties van duurzame vervoermiddelen (zachte mobiliteit, openbaar ervoer, georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, deeloplossingen) die worden aangeboden onder de vorm van mobiliteitsdiensten.

Huisvestingskosten

Dichtbij het werk wonen is bij uitstek een duurzame mobiliteitsoplossing.

Wie binnen een straal van 5 km – in vogelvlucht – van de normale plaats van tewerkstelling woont, kan het huurgeld of de intresten van een hypothecaire lening financieren met het mobiliteitsbudget.

Verhuiskosten om dichter bij het werk te gaan wonen, vallen niet onder deze rubriek, en komen niet in aanmerking. De huur van een verhuiswagen kan eventueel worden gefinancierd met één van de bestedingsmogelijkheden onder de rubriek “deeloplossingen”.

Bedrijfsfiets en fietsvergoeding

Werkgevers die nog geen bedrijfsfietsen ter beschikking stellen en/of geen fietsvergoeding toekennen aan fietsende pendelaars, kunnen deze systemen opzetten en integreren in het mobiliteitsbudget. Ook werkgevers die al over zo’n systemen beschikken, kunnen die volledig of gedeeltelijk integreren in het mobiliteitsbudget, voor zover sectorale verplichtingen dit niet in de weg staan.

Hetzelfde geldt voor werknemers die nog geen bedrijfsfiets hebben en/of geen fietsvergoeding ontvangen. Zij kunnen deze voordelen benutten in pijler 2 als die mogelijkheid deel uitmaakt van het aanbod van de werkgever.

Let op! Er moet wel een link met de woon-werkverplaatsingen zijn. Het gaat immers om vrijgestelde bedrijfsfietsen en fietsvergoedingen. En deze zijn enkel volledig vrijgesteld indien:

  • de werknemer de fiets effectief gebruikt in het kader van de woon-werkverplaatsingen;
  • de fietsvergoeding maximaal 0,24 EUR (bedrag geldig vanaf 01/01/2019) per effectief getrapte woon-werkkilometer bedraagt.

Als deze voorwaarden niet worden gerespecteerd, zal de werknemer het genoten voordeel moeten terugbetalen aan de werkgever of zal de werkgever het genoten voordeel moeten aanmerken als loonvoordeel voor de werkelijke waarde en onderwerpen aan socialezekerheidsbijdragen en belastingen.

Deze rubriek staat los van de rubriek “zachte mobiliteit” waarbinnen andere bestedingen voor fietsen mogelijk zijn. Als de werkgever bijvoorbeeld de eigendom van een bedrijfsfiets onmiddellijk of na verloop van tijd wil overdragen aan de werknemer, dan kan hij die mogelijkheid beter aanbieden via de rubriek zachte mobiliteit.

Het is aan de werkgever om duidelijk het onderscheid te maken tussen een bedrijfsfiets ter beschikking gesteld via deze rubriek en een (bedrijfs)fiets ter beschikking gesteld via de rubriek “zachte mobiliteit”. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het aanbod van de werkgever of uit de overeenkomst afgesloten tussen de werkgever en de werknemer in het kader van het mobiliteitsbudget.

Pijler 3: geld

Op het einde van elk kalenderjaar gebeurt een afrekening.

Het deel van het mobiliteitsbudget dat de werknemer niet heeft gebruikt voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en/of duurzame vervoermiddelen, zal hem één keer per jaar in geld worden uitbetaald. En dit ten laatste samen met het loon van januari van het daaropvolgende jaar.

Het saldo van het mobiliteitsbudget wordt niet onderworpen aan gewone socialezekerheidsbijdragen en is volledig vrijgesteld van belastingen.

Er is wel een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07% verschuldigd. De uitbetaling van het saldo gebeurt na aftrek van die bijdrage. In ruil voor die bijdrage wordt het saldo opgenomen in de berekeningsbasis voor de ziekte- en werkloosheidsuitkering én voor het pensioen.

5.2. Moet een werknemer het mobiliteitsbudget in alle pijlers besteden?

Neen.

Een werknemer kan vrij kiezen binnen welke pijler(s) hij zijn mobiliteitsbudget wil aanwenden binnen het aanbod van de werkgever.

5.3. Kan je een bedrijfswagen vervangen door een elektrische fiets en een deelauto om af en toe een gezinsuitstap te maken of een boodschap te doen. Is dat mogelijk met het mobiliteitsbudget?

Ja, op voorwaarde dat de werkgever die bestedingsmogelijkheden heeft opgenomen in het aanbod aan alle werknemers (zie ook de vraag “Moet een werkgever alle duurzame vervoermiddelen van pijler 2 aanbieden?”).

Elke besteding binnen deze tweede pijler, is volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen en belastingen bij de werknemer en volledig aftrekbaar als beroepskost bij de werkgever.
 

Pijler 1: milieuvriendelijke wagen

5.4. Moet de werkgever milieuvriendelijke wagens in pijler 1 aanbieden?

Neen.

De werkgever mag zelf kiezen of, en onder welke voorwaarden, hij milieuvriendelijke wagens in pijler 1 aanbiedt, rekening houdende met zijn mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsbehoeften van zijn werknemers.

De werkgever kiest bovendien of hij die bestedingsmogelijkheden al dan niet openstelt voor alle werknemers. Een eventueel onderscheid tussen werknemers moet uiteraard geoorloofd zijn.

De werkgever moet de bestedingsmogelijkheden bekendmaken aan alle werknemers.
 

Aangepast - 5.5. Op welke manier wordt de kostprijs van een milieuvriendelijke bedrijfswagen vastgesteld en verrekend in het mobiliteitsbudget?

De kostprijs van een milieuvriendelijke bedrijfswagen wordt vastgesteld door optelling van alle kosten voor de financiering van de wagen en de gerelateerde kosten in het kader van het bedrijfswagenbeleid, zoals de brandstofkosten en de verschuldigde solidariteitsbijdrage.

Bij een elektrische wagen kan het ook gaan om de elektriciteitskosten en de kosten voor de installatie van een laadpunt.

Wanneer de werkgever eigenaar is van de milieuvriendelijke bedrijfswagen, wordt de financieringskost vervangen door een jaarlijkse afschrijving van 20%. Daarbij moet rekening worden gehouden met de werkelijke kostprijs van de bedrijfswagen voor de werkgever, dus ook met de aangerekende opties en accessoires, de toegekende kortingen, de niet-aftrekbare btw, enz. Eenmaal vastgesteld, wordt dat bedrag jaarlijks verrekend in het mobiliteitsbudget. De afschrijvingstermijn van de milieuvriendelijke wagen is in dat verband niet relevant.

Als niet alle kosten op het ogenblik van de toekenning van het mobiliteitsbudget zijn gekend (bv. brandstofkosten), dan mag de werkgever het te besteden bedrag in pijlers 2 en/of 3 vaststellen op basis van een eigen inschatting naar best vermogen. Zodra de reële kosten wel zijn gekend, moeten die worden verrekend in het mobiliteitsbudget.

De verrekening van de reële kosten moet zo snel mogelijk gebeuren binnen datgene wat praktisch haalbaar is. De werknemer moet immers op ieder ogenblik toegang hebben tot de inlichtingen over de stand van zijn mobiliteitsbudget, waaronder het beschikbaar saldo (zie ook de vraag “Op welke manier kan de werknemer het gebruik van zijn mobiliteitsbudget opvolgen?”).

Als op het einde van een kalenderjaar blijkt dat het mobiliteitsbudget ontoereikend is om bepaalde kosten op te verrekenen en die kosten niet worden terugbetaald door de werknemer, dan moeten die kosten worden aangemerkt als loonvoordeel en onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen en belastingen. Zij verliezen dus hun specifieke sociale en fiscale behandeling.

Nieuw - 5.6. Wat gebeurt er als de leasemaatschappij geld terugbetaalt aan de werkgever omdat er bijvoorbeeld veel minder kilometers zijn gereden met de milieuvriendelijke bedrijfswagen dan is ingeschat?

Op het mobiliteitsbudget moeten de reële kosten worden verrekend (zie ook de vraag “Op welke manier wordt de kostprijs van een milieuvriendelijke bedrijfswagen vastgesteld en verrekend in het mobiliteitsbudget?”).

Dit leidt meestal tot een daling van het mobiliteitsbudget, maar kan in bepaalde omstandigheden ook leiden tot een stijging van het mobiliteitsbudget.

Als de leasemaatschappij een bedrag terugbetaalt aan de werkgever omdat er bijvoorbeeld veel minder kilometers zijn gereden met de milieuvriendelijke bedrijfswagen dan is ingeschat, dan moet het mobiliteitsbudget van de werknemer overeenkomstig worden verhoogd.

Het bedrag wordt toegerekend aan het kalenderjaar waarin de terugbetaling plaatsvindt. Wat eventueel overblijft op het einde van het kalenderjaar, valt onder pijler 3 en wordt overeenkomstig uitbetaald.

Nieuw - 5.7. Wat gebeurt er als de werknemer een milieuvriendelijke bedrijfswagen kiest die duurder is dan de huidige bedrijfswagen? Is een keuze voor het mobiliteitsbudget dan niet meer mogelijk?

Ook in die situatie is een mobiliteitsbudget mogelijk, maar er is dan sprake van een ontoereikend mobiliteitsbudget (zie ook de vraag “Wat bij een ontoereikend mobiliteitsbudget?”).

5.8. Waar vind je de uitstoot van CO2 en van luchtverontreinigende stoffen van een wagen om uit te maken of het om een milieuvriendelijke bedrijfswagen gaat?

De CO2-uitstoot en Euronorm van wagens kun je terugvinden via de website www.ecoscore.be.

Voor de vaststelling van de CO2-uitstoot houden de federale overheidsdiensten rekening met het CO2-uitstootgehalte van het voertuig zoals dat gekend is bij de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (DIV) van de FOD Mobiliteit en Vervoer.

Je kan het uitstootgehalte normaal gezien terugvinden op het gelijkvormigheidsattest (“gewogen, gecombineerde” CO2-waarde voor elektrisch oplaadbare voertuigen; “gecombineerde” CO2-waarde voor andere aandrijvingen) en op het inschrijvingsbewijs van het voertuig.

5.9. Met welk CO2-uitstoot moet je rekening houden, als de wagen zowel een CO2-uitstoot heeft berekend volgens de WLTP-norm als de NEDC-norm?

Om na te gaan of een voertuig over 2 CO2-uitstootgehaltes (WLTP en NEDC) beschikt, kan je het gelijkvormigheidsattest van het voertuig raadplegen.

Het gelijkvormigheidsattest van een voertuig met 2 CO2-uitstootgehaltes vermeldt zowel een tabel (code 49.1) met NEDC verbruiks- en CO2-waarden, als een tabel (code 49.4) met WLTP verbruiks- en CO2-waarden. Het inschrijvingsbewijs van het voertuig vermeldt maar één waarde en verduidelijkt niet om welke waarde het gaat (WLTP of NEDC).

Voor voertuigen met 2 CO2-uitstootgehaltes (WLTP en NEDC), mag tot en met 31 december 2020 met de NEDC-waarde rekening worden gehouden voor de vaststelling van de CO2-uitstoot.

Ook hier moet het gaan om de NEDC-waarde zoals die gekend is bij de DIV. In principe stemt die NEDC-waarde overeen met de NEDC-waarde vermeld in de tabel (code 49.1) van het gelijkvormigheidsattest van het voertuig (“gewogen, gecombineerde” CO2-waarde voor elektrisch oplaadbare voertuigen; “gecombineerde” CO2-waarde voor andere aandrijvingen).

Nieuw - 5.10. De nieuwe emissietest WLTP meet CO2-waarden die gemiddeld 20-25% hoger liggen dan NEDC. Is er voorzien in een correctie naar die nieuwe emissietest WLTP?

Neen.

Er is tot nu toe niet voorzien in een correctie.

Voor voertuigen met 2 CO2-uitstootgehaltes (WLTP en NEDC), mag tot en met 31 december 2020 met de NEDC-waarde rekening worden gehouden voor de vaststelling van de CO2-uitstoot (zie ook de vraag “Met welk CO2-uitstoot moet je rekening houden, als de wagen zowel een CO2-uitstoot heeft berekend volgens de WLTP-norm als de NEDC-norm?”).

5.11. Wat is het wagengewicht van de milieuvriendelijke bedrijfswagen?

Met het wagengewicht wordt de massa in rijklare toestand van het voertuig bedoeld. Je kan dit terugvinden op het gelijkvormigheidsattest tegenover de code 13.

5.12. Wat gebeurt er als de normen waaraan de milieuvriendelijke wagen moet voldoen, wijzigen doorheen de tijd? Komt de gekozen wagen dan nog altijd in aanmerking voor de toepassing van het mobiliteitsbudget?

De normen waaraan de milieuvriendelijke wagen moet voldoen, worden beoordeeld rekening houdende met de datum van de ondertekende bestelbon of het afgesloten leasingscontract.

Indien de normen na die datum wijzigingen ondergaan, hebben die geen invloed op de behandeling van de aangekochte of geleasede wagen in het kader van het mobiliteitsbudget.

5.13. Kan de werknemer in de loop van het jaar alsnog kiezen voor een milieuvriendelijke bedrijfswagen in pijler 1?

De Administratie aanvaardt dat de werknemer op elk ogenblik kan kiezen voor een milieuvriendelijke wagen in pijler 1 binnen het aanbod van de werkgever, op voorwaarde dat de werkgever die mogelijkheid uitdrukkelijk heeft opgenomen in het aanbod aan alle werknemers.

Werkgever en werknemer houden het bedrag van het beschikbare budget best goed in de gaten als de werknemer in de loop van een kalenderjaar alsnog kiest voor een milieuvriendelijke bedrijfswagen in pijler 1, zodat zij niet worden geconfronteerd met de nadelen van een ontoereikend mobiliteitsbudget.

5.14. Komt een zogenaamde lichte vracht in aanmerking voor omzetting naar een mobiliteitsbudget?

Neen.

Het mobiliteitsbudget is het bedrag dat de werknemer ontvangt van zijn werkgever omdat hij afziet van de bedrijfswagen waarover hij beschikt of waarvoor hij in aanmerking komt.

De bedrijfswagen is het in artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gedefinieerde voertuig dat de werkgever ter beschikking stelt aan de werknemer voor persoonlijk gebruik en waarvoor in hoofde van de werknemer een forfaitair voordeel van alle aard wordt bepaald.

De betrokken wagens zijn:

  • personenwagens;
  • auto’s voor dubbel gebruik;
  • minibussen; en
  • de zogenaamde onechte lichte vracht.

Een onechte lichte vrachtwagen is een voertuig:

  • opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen, en
  • waarvan de maximale toegelaten massa kleiner of gelijk is aan 3.500 kg, en
  • dat niet beantwoordt aan één van de hieronder opgesomde voertuigtypes:
    • voertuigen waarvan de passagierscabine ten hoogste twee zitplaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en die volledig is afgesloten van de open laadbak (pick-ups met enkele cabine);
    • voertuigen waarvan de passagierscabine ten hoogste zes zitplaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en die volledig is afgesloten van een open laadbak (pick-up met dubbele cabine);
    • bestelwagen met één enkele rij zetels, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee zitplaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte. Deze mag geen verankeringsplaatsen bevatten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;
    • bestelwagen met twee rijen zetels, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes zitplaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte. Deze mag geen verankeringsplaatsen bevatten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

De echte lichte vracht die ter beschikking wordt gesteld van een werknemer en ook mag gebruikt worden voor privéverplaatsingen, is een voordeel van alle aard voor de werknemer. Maar dit voordeel wordt niet gevat door de forfaitaire berekeningswijze. Het voordeel moet worden begroot volgens de werkelijke waarde in hoofde van de verkrijger.

De inlevering van de echte lichte vracht komt dus niet in aanmerking voor omzetting naar een mobiliteitsbudget.

5.15. Kan een werknemer een elektrische bedrijfswagen inruilen voor een hybride bedrijfswagen in pijler 1?

Neen.

Op het vlak van de CO2-uitstoot, de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen en, wanneer de ingeruilde wagen een oplaadbare hybride wagen betreft, de energiecapaciteit van de elektrische batterij, moet de gekozen wagen minstens even goed scoren als de wagen die is ingeruild voor het mobiliteitsbudget.

Aan deze voorwaarden is niet voldaan als een werknemer een elektrische bedrijfswagen inruilt voor een hybride bedrijfswagen in pijler 1.

Pijler 2: duurzame vervoersmiddelen en huisvestingskosten

5.16. Moet een werkgever alle duurzame vervoermiddelen van pijler 2 aanbieden?

Neen.

De werkgever mag zelf kiezen welke bestedingsmogelijkheden worden aangeboden, rekening houdende met zijn mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsbehoeften van zijn werknemers.

De werkgever kiest dus welke bestedingsmogelijkheden al dan niet worden opengesteld voor welke werknemers. Een eventueel onderscheid tussen werknemers moet uiteraard geoorloofd zijn.

Verder kan de werkgever ook rekening houden met de administratieve beheersbaarheid van de mobiliteitskeuzes.

De werkgever moet de bestedingsmogelijkheden bekendmaken aan alle werknemers.

5.17. Kan een werknemer voorstellen om bijkomende vervoersmiddelen op te nemen in het mobiliteitsbudget?

Een werknemer kan uiteraard altijd een voorstel doen aan zijn werkgever.

Het is immers de bedoeling dat de werknemer de verplaatsingswijze kan kiezen die het best bij hem past. Bovendien wil het mobiliteitsbudget werknemers stimuleren om zoveel mogelijk te kiezen voor duurzame vervoermiddelen.

Het blijft wel aan de werkgever om te bepalen of hij bijkomende vervoermiddelen opneemt in zijn aanbod. Daarbij zal de werkgever niet alleen rekening houden met de beheersbaarheid van de mobiliteitsrekeningen van de betrokken werknemers, maar ook met de wettelijke beperkingen bij de selectie van duurzame vervoermiddelen.

5.18. Op welke manier verloopt de besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2?

De besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2 kan op verschillende manieren verlopen:

  • de middelen worden rechtstreeks besteed via de werkgever en worden afgerekend op het mobiliteitsbudget;
  • de middelen worden voorgefinancierd door de werknemer en terugbetaald door de werkgever;
  • er wordt gekozen voor een combinatie van beide.

Wanneer de werknemer de middelen volledig of gedeeltelijk voorfinanciert, bepaalt de werkgever welke rechtvaardigingsstukken moeten worden voorgelegd om de besteding te bewijzen.

Er worden geen specifieke formaliteiten opgelegd. Het is aan de werkgever om in geval van een sociale of fiscale controle het bewijs te leveren, via de rechtvaardigingsstukken bezorgd door de werknemer, dat de besteding in pijler 2 voldoet aan de wettelijke voorwaarden (bv. dat de interesten van een hypothecaire lening betrekking hebben op de woonplaats van de werknemer binnen een straal van 5 kilometer – in vogelvlucht – van zijn normale plaats van tewerkstelling).

Als gebruik wordt gemaakt van een betaalkaart of van een applicatie, moet de werkgever ervoor zorgen dat die instrumenten enkel kunnen worden gebruikt voor de financiering van de duurzame vervoermiddelen.

5.19. Kan een motor worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget?

Motorfietsen kunnen in pijler 2 worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget op voorwaarde dat ze uitsluitend elektrisch worden aangedreven en ze deel uitmaken van het aanbod van de werkgever.

Andere motorfietsen kunnen niet worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget, ook niet in pijler 1 waaronder enkel milieuvriendelijke bedrijfswagens zijn toegelaten. Een motorfiets kan niet worden beschouwd als een bedrijfswagen.

5.20. Kunnen ook duurzame vervoermiddelen in het buitenland worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget?

Ja, op voorwaarde dat de werkgever geen beperkingen heeft opgenomen in het aanbod aan alle werknemers.

Op die manier kunnen onder meer volgende duurzame vervoermiddelen worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget:

  • de huur van een step of een fiets in het kader van een citytrip;
  • het gebruik van openbaar vervoer in een lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;
  • de huur van een gezinswagen op vakantie voor maximaal 30 kalenderdagen per jaar.

5.21. Kunnen Eurostar-tickets nog worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget na de Brexit?

Indien het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie stapt en geen lid blijft van de Europese Economische Ruimte, dan zullen Eurostar-tickets niet meer kunnen worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget.

Let op! Op 28 maart 2019 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers de Wet betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie goedgekeurd. Die heeft tot gevolg dat het Verenigd Koninkrijk tot eind 2019 voor heel wat federale aangelegenheden blijvend zal worden gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie. Daarom kan ook voor de toepassing van het mobiliteitsbudget worden aanvaard dat Eurostar-tickets tijdens deze overgangsperiode nog kunnen worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget. In dit kader is de datum van aankoop van het vervoersbewijs relevant.

Aangepast - 5.22. Kan een werknemer de aankoop van een speed pedelec, waarvan de kostprijs hoger is dan de omvang van het jaarlijks budget, financieren met zijn mobiliteitsbudget? Kan de werkgever de kostprijs van de speed pedelec afschrijven over meerdere jaren zodat er budget overblijft voor het onderhoud van de fiets en voor de aankoop van een valhelm?

Neen.

In geval van aankoop van duurzame vervoermiddelen kan de kostprijs niet worden afgeschreven over de economische levensduur van het aangekochte vervoermiddel.

Indien de werknemer toch overgaat tot de aankoop van een duurzaam vervoermiddel en daarbij zijn mobiliteitsbudget overschrijdt, is er sprake van een ontoereikend mobiliteitsbudget (zie ook de vraag “Wat bij een ontoereikend mobiliteitsbudget?”).

Via een huur- of leasingformule van de fiets door de werkgever of een derde, of een terbeschikkingstelling van de fiets als een bedrijfsfiets, kan de kostprijs van het vervoermiddel uiteraard wel worden gespreid over meerdere jaren waardoor de situatie van een ontoereikend mobiliteitsbudget kan worden vermeden (zie ook de vraag 5.1. “Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?”).

5.23. Kan de aankoop van een fiets door een werknemer die heeft plaatsgevonden vóór de toekenning van een mobiliteitsbudget, worden terugbetaald door de werkgever in het kader van dat mobiliteitsbudget?

Neen.

Het mobiliteitsbudget kan worden gebruikt voor de aankoop van een fiets door de werknemer, maar die aankoop moet plaatsvinden in de periode waarin de werknemer over een mobiliteitsbudget beschikt en ook ten laste worden gelegd van het op dat ogenblik beschikbare budget.

5.24. Een werknemer kan in bepaalde omstandigheden huurgelden en interesten van hypothecaire leningen financieren met zijn mobiliteitsbudget. Hoe verloopt die financiering bij koppels?

Of de werknemer een koppel vormt of een alleenstaande is, maakt geen verschil. In beide gevallen kan hij de volledige huurgelden of interesten van een hypothecaire lening voor zijn woning bij het werk, financieren met zijn mobiliteitsbudget.

Bij koppels moet de financiering van huurgelden en interesten van hypothecaire leningen dus niet worden beperkt tot het wettelijk aandeel van de betrokkene in de huurovereenkomst of hypothecaire lening voor de woning bij het werk.

Let op! Het is niet mogelijk om huurgelden en interesten van hypothecaire leningen twee keer te financieren met een mobiliteitsbudget (bv. partner 1 financiert de volledige huurgelden via mobiliteitsbudget 1 en partner 2 doet hetzelfde via mobiliteitsbudget 2). Het is wel mogelijk om de huisvestingskosten te financieren via verschillende mobiliteitsbudgetten (bv. partner 1 financiert 50% van de huurgelden via mobiliteitsbudget 1 en partner 2 doet hetzelfde via mobiliteitsbudget 2). Of de besteding in pijler 2 voldoet aan de wettelijke voorwaarden, wordt beoordeeld per mobiliteitsbudget. Het is aan de werkgever om in geval van een sociale of fiscale controle het bewijs te leveren, via de rechtvaardigingsstukken bezorgd door de werknemer, dat de huisvestingskosten slechts één keer worden gefinancierd met een mobiliteitsbudget. Om de privacy van de werknemer te beschermen en de administratieve lasten voor de werkgever te beperken, volstaat een verklaring op eer waaruit duidelijk blijkt dat de huisvestingskosten niet eerder zijn gefinancierd met een mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.25. Kan het mobiliteitsbudget ook worden gebruikt voor de financiering van huisvestingskosten bij samenwoning met niet-gezinsleden?

Het mobiliteitsbudget mag worden gebruikt voor de financiering van huisvestingskosten, meer bepaald huurgelden en intresten van hypothecaire leningen, betreffende de woonplaats die binnen een straal van 5 kilometer van de normale plaats van tewerkstelling gelegen is.

Wanneer de woonplaats van de werknemer enkel wordt gebruikt voor de huisvesting van zijn gezin, dan mag het mobiliteitsbudget worden gebruikt voor de financiering van alle huisvestingskosten, zoals toegelicht in de vraag “Een werknemer kan in bepaalde omstandigheden huurgelden en interesten van hypothecaire leningen financieren met zijn mobiliteitsbudget. Hoe verloopt die financiering bij koppels?”.

Wanneer de woonplaats van de werknemer ook wordt gebruikt voor de huisvesting van niet-gezinsleden, dan mag het mobiliteitsbudget enkel worden gebruikt voor de financiering van de kosten voor de huisvesting van zijn gezin.

Het is immers niet de bedoeling dat het mobiliteitsbudget wordt omgezet in geld via pijler 2, dus vrij van socialezekerheidsbijdragen en belastingen, door huisvestingskosten van derden ten laste te nemen van het mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.26. Kunnen huurgelden of interesten van hypothecaire leningen betaald sinds 1 januari 2019 worden gefinancierd met een mobiliteitsbudget dat wordt toegekend vanaf 1 september 2019?

Enkel huurgelden en interesten van hypothecaire leningen betaald vanaf de toekenning van het mobiliteitsbudget, komen in aanmerking voor verrekening op dat mobiliteitsbudget (zie ook de vraag “Op welke manier verloopt de besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2?”).

Nieuw - Vraag 5.27. Op welke manier kan de btw worden gerecupereerd in pijler 2?

Er is niet voorzien in bijzondere btw-regels voor de toepassing van het mobiliteitsbudget.

Bijgevolg gelden de normale btw-regels onverminderd.

Afhankelijk van de besteding van het mobiliteitsbudget kan de btw-recuperatie dan ook verschillen.

Nieuw - Vraag 5.28. Ik wil mijn mobiliteitsbudget gebruiken voor de financiering van een elektrische fiets. Wat gebeurt er met de btw als ik die fiets aankoop of lease, al dan niet via mijn werkgever?

Aankoop van een elektrische fiets

Ofwel koopt de werkgever de elektrische fiets. Ofwel koopt de werknemer die fiets en betaalt de werkgever de fiets terug (zie ook de vraag “Op welke manier verloopt de besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2?”).

In beide gevallen is er 21% btw verschuldigd.

De aankoopprijs, exclusief btw, wordt in ieder geval aangerekend op het mobiliteitsbudget.

De btw wordt aangerekend op het mobiliteitsbudget naargelang het geval:

  • Als de fiets wordt aangekocht op naam van de werknemer, dan wordt de btw volledig aangerekend op het mobiliteitsbudget;
  • Als de fiets wordt aangekocht op naam van de werkgever (zgn. bedrijfsfiets) en aan een aantal wettelijke vereisten is voldaan (er moet een rechtsgeldige factuur worden uitgereikt, de werkgever moet btw kunnen recupereren, …), dan kan een deel van de btw mogelijks worden gerecupereerd door de werkgever en wordt enkel het resterende saldo aangerekend op het mobiliteitsbudget. In dit kader zal de werkgever op basis van de feitelijke omstandigheden en onder toezicht van de btw-administratie moeten vaststellen in welke mate de fiets zal worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, met andere woorden voor professionele verplaatsingen; woon-werkverkeer kwalificeert als privéverplaatsingen. Die inschatting zal aanleiding geven tot een bepaald percentage van aftrek van de betaalde btw op de aankoop van de fiets dat niet zal worden aangerekend op het mobiliteitsbudget.

Lease van een elektrische fiets

In geval van een lease met aankoopoptie, zal de aankoopprijs op het einde van het leasecontract, bij uitoefening van die optie, worden verrekend op het mobiliteitsbudget.

In deze situatie kan wel sprake zijn van een ontoereikend mobiliteitsbudget (zie ook de vraag “Wat bij een ontoereikend mobiliteitsbudget?”).

Ook in dit geval is er 21% btw verschuldigd op de leasevergoedingen en de aankoopprijs, en gelden dezelfde regels als hierboven toegelicht voor de aankoop van een elektrische fiets.

Nieuw - Vraag 5.29. Kan de voetgangerspremie worden geïntegreerd in pijler 2?

De voetgangerspremie is niet opgenomen in de lijst van duurzame vervoermiddelen en is niet gelijkgesteld met duurzame vervoermiddelen (zie ook de vraag “Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?”).

De voetgangerspremie komt dus niet in aanmerking voor de toepassing van het mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.30. Kan de derdebetalersregeling voor openbaar vervoer worden geïntegreerd in pijler 2?

Alle bestedingen aan openbaar vervoer die in aanmerking komen voor de toepassing van het mobiliteitsbudget kunnen worden verrekend op een mobiliteitsbudget, ongeacht de manier van betaling van die bestedingen (zie ook de vragen “Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?” en “Op welke manier verloopt de besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2?”).

De werkgever brengt zijn reële kost in mindering van het mobiliteitsbudget. Het deel dat in het kader van de derdebetalersregeling wordt bijgepast door de overheid, mag niet in mindering worden gebracht van het mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.31. Moet een VAA worden aangerekend bij de huur van een wagen zonder chauffeur?

Neen.

Elke besteding binnen pijler 2 is volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen en belastingen (zie ook de vragen “Hoe wordt het mobiliteitsbudget behandeld voor de toepassing van de socialezekerheidsbijdragen?” en “Is het mobiliteitsbudget bij de werknemer belastbaar?”).

Er is binnen pijler 2 dan ook geen sprake van een voordeel van alle aard (VAA), ook niet wanneer de werknemer een wagen zonder chauffeur huurt voor maximaal 30 kalenderdagen per jaar.

De huur van dergelijke wagen in pijler 2 wijzigt niets aan het VAA dat wél geldt voor de wagen in pijler 1. Aangezien de wagen in pijler 1 ter beschikking blijft van de werknemer tijdens de periode van de huur van de wagen in pijler 2, blijft een belastbaar VAA aangerekend worden voor de wagen in pijler 1.

Nieuw - Vraag 5.32. Kan het saldo van pijler 2 worden gebruikt om materiaal ter beschikking te stellen voor thuiswerk of werken op afstand?

Neen.

Materiaal voor thuiswerk of werken op afstand is niet opgenomen in de lijst van duurzame vervoermiddelen en is niet gelijkgesteld met duurzame vervoermiddelen (zie ook de vraag “Welke keuzes zijn er allemaal mogelijk binnen het mobiliteitsbudget? En hoe worden die keuzes behandeld op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit?”).

Dergelijk materiaal komt dus niet in aanmerking voor de toepassing van het mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.33. Kan het saldo van pijler 2 worden gebruikt om materiaal aan te kopen voor het onderhoud van een fiets, al dan niet aangekocht met een mobiliteitsbudget?

Ja.

Bij zachte mobiliteit spreekt de wet over “aankoop, huur, leasing, onderhoud en verplichte uitrusting”.

De term onderhoud gaat over het in goede staat houden van de betrokken voertuigen, al dan niet aangekocht met een mobiliteitsbudget. Het gaat niet noodzakelijk over een dienst. Ook goederen die werden aangekocht voor het onderhoud van de betrokken voertuigen, kunnen in pijler 2 worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget.

Ter herinnering: de werkgever bepaalt welke rechtvaardigingsstukken moeten worden voorgelegd om de besteding te bewijzen. Er worden geen specifieke formaliteiten opgelegd. Het is aan de werkgever om in geval van een sociale of fiscale controle het bewijs te leveren, via de rechtvaardigingsstukken bezorgd door de werknemer, dat de besteding in pijler 2 voldoet aan de wettelijke voorwaarden (zie ook de vraag “Op welke manier verloopt de besteding van het mobiliteitsbudget in pijler 2?”).

Nieuw - Vraag 5.34. Kan een tweedehandsfiets worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget?

Ja.

Ook tweedehandsfietsen kunnen worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget.

Nieuw - Vraag 5.35. Kan een fietsbijstandsverzekering worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget?

Ja.

Bij zachte mobiliteit spreekt de wet over “aankoop, huur, leasing, onderhoud en verplichte uitrusting”.

De term onderhoud gaat over het in goede staat houden van de betrokken voertuigen. Ook bijstandsverzekeringen (pechverhelping) worden daaronder begrepen.

Daarom kan een fietsbijstandsverzekering (fietspechverhelping) worden gefinancierd met het mobiliteitsbudget.

Pijler 3: geld

5.36. Kan de werknemer onmiddellijk (of in de loop van het jaar) kiezen voor het geld in pijler 3?

Neen.

Het mobiliteitsbudget kan tijdens het kalenderjaar worden besteed aan de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en duurzame vervoermiddelen. Het restbedrag in pijler 3 kan slechts één keer per jaar in geld worden uitbetaald, na aftrek van een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07%, waarmee sociale rechten, zoals pensioenrechten, worden opgebouwd, met uitzondering van het recht op jaarlijkse vakantie.

Bij uitdiensttreding kan het restbedrag in pijler 3, eventueel verminderd in functie van de nog niet verstreken duurtijd van het kalenderjaar, vroegtijdig in geld worden uitbetaald, na aftrek van de bijzondere werknemersbijdrage.

5.37. Kan de werknemer het geld in pijler 3 overdragen naar een volgend jaar?

Neen.

Het saldo van het mobiliteitsbudget kan niet worden overgedragen naar een volgend jaar.

De werkgever is immers wettelijk verplicht om hem één keer per jaar het saldo in pijler 3 in geld uit te betalen. En dit ten laatste samen met het loon van de eerste maand van het daaropvolgende jaar.

5.38. Kan de werkgever weigeren om het geld in pijler 3 uit te betalen als de werknemer bepaalde voorwaarden niet respecteert?

Neen.

De werkgever mag zelf kiezen onder welke voorwaarden hij het mobiliteitsbudget aanbiedt in zijn onderneming, rekening houdende met zijn mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsbehoeften van zijn werknemers.

Zo kan hij zijn werknemers verplichten om minstens 50% van hun mobiliteitsbudget te gebruiken voor de financiering van duurzame vervoermiddelen in pijler 2.

Als een werknemer die voorwaarde niet respecteert, kan de werkgever echter niet weigeren om het geld in pijler 3 uit te betalen, bij wijze van sanctie.

De werkgever is immers wettelijk verplicht om hem één keer per jaar het saldo in pijler 3 in geld uit te betalen. En dit ten laatste samen met het loon van de eerste maand van het daaropvolgende jaar.

5.39. De werkgever wil geen bedrijfswagen meer ter beschikking stellen. Kan de werknemer zelf een milieuvriendelijke wagen kopen met zijn mobiliteitsbudget?

Het is niet mogelijk om zelf een milieuvriendelijke wagen te kopen met het mobiliteitsbudget. Enkel milieuvriendelijke bedrijfswagens ter beschikking gesteld door de werkgever komen in aanmerking voor financiering in pijler 1.

De werknemer kan er op het einde van het kalenderjaar wel voor kiezen om zijn mobiliteitsbudget te laten uitbetalen in geld in pijler 3 en met dat bedrag, na aftrek van de bijzondere werknemersbijdrage van 38,07%, zelf een milieuvriendelijke wagen financieren.

Let op! Wanneer de werknemer de zelf gefinancierde wagen gebruikt voor zijn woon-werkverplaatsingen, kan de werkgever hem hiervoor geen parafiscaal gunstige vergoeding betalen. Gebeurt dat wel, dan wordt de vergoeding beschouwd als loon en is die onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen. Op fiscaal vlak kan de werknemer nog aanspraak maken op de algemene fiscale vrijstelling voor een “ander vervoermiddel” van maximum 410 euro per jaar (geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2020).

In die omstandigheden kan de werknemer waarschijnlijk beter opteren voor de toepassing van het systeem van de mobiliteitsvergoeding, in plaats van het systeem van het mobiliteitsbudget, voor de eigen financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen, als de werkgever ook dat systeem aanbiedt.